Terug

Terug

Fijne regendruppels leggen een natte waas over zijn gezicht. ’t Snoetert, zouden ze hier zeggen, bedenkt hij. De wind heeft hij pal tegen. Toch loopt hij door. Over de dijk. Over die eeuwenoude hoogte in het vlakke landschap. Die kracht uitstraalt en miraculeuze geheimen in zich bergt.
Hij heft zijn gezicht op, tegen de wind in. Kom maar, denkt hij. Raak me aan, beweeg me, maak me vrij.
Beelden komen bij hem boven.
Hier speelde hij met de andere kinderen uit het dorp. Van de dijk glissen of rollebollen, klei opgraven. De dijk - die was zo gewoon, die hoorde erbij. Als speelplaats of als weg naar een andere wereld. Een verre, vreemde wereld.
Hier fietste hij later die onbekende weg. Naar andere steden, naar andere mensen, andere ideeën.
Ook liep hij hier. Met haar. ’s Avonds als het schemerde of al donker was. Dan keken ze naar de sterren. Of ze zaten een tijdje aan de dijkkant in het gras. Zoete, zachte uren waren dat.
Maar het onbekende lokte. Het verre, het andere, het avontuur.
Hij ging reizen. Per schip trok hij door de wereld, van het ene continent naar het andere. Onrustig op zoek. Naar wat eigenlijk? Was het als in het gedicht van Jacob Israël de Haan. Die schrijft: Die te Amsterdam vaak zei: ‘Jeruzalem’ en naar Jeruzalem gedreven kwam, hij zegt met mijmerende stem: ‘Amsterdam, Amsterdam’.
Vrouw noch kind bond hem. Hij genoot van het reizen, van nieuwe mensen ontmoeten, nieuwe steden zien.
Een fietser passeert. Een oudere man met een schep achterop. Blauw jasje, gele klompen. Het lijkt... is ’t hem?
‘Kees! Hé Kees!’
De man stapt af en kijkt verwonderd om.
‘Ik ben ‘t! Ken je me niet meer? Jaap! Jaap de Vries.’
‘Zo, ja, nou zien ik ‘t. Kom je weer d’rs terug? Hoe is ‘t?’
Ze praten.
‘Kom om een koppie. Ik weun in ’t huis van vader en moeder.’
‘Dat doe ik!’
Een groet, Kees rijdt door.
Hij loopt weer. Tegen wind in. Hij veegt over zijn wangen. Zijn het tranen of is het de regen?
Hij gaat tot de wiel. Daalt daar voorzichtig naar beneden.
Roerloos staat hij bij het water. Een reiger klapwiekt statig weg. Zoals híj ook ooit wegvloog.
En nu is hij weer hier. In de herfst van zijn leven. Nu zijn krachten minderen. Nu hij zich alleen weet.
Langzaam klimt hij de dijk weer op. Uit de luwte staat hij ineens in de volle wind. Het regent niet meer.
Voor de wind heeft hij nu. Die duwt hem stevig in de rug. Het maakt hem blij. Hij spreidt zijn armen in een plotselinge vlaag van levenslust.
Dijk, land, wind en lucht. Hier hoort hij thuis. Dit geeft hem kracht. Meer dan al het andere op de wereld.
Want hier – hier ligt zijn hart.
Zo loopt hij door, dansend bijna.
Vlakbij het dorp maakt de dijk een buiging naar de huizen. Een kruising, een bankje, een hek.
Daar staat een vrouw. Ze kijkt uit over het lage land, naar de blauwe duinen in de verte.
Dan kijkt ze naar hem. Een lach komt op haar gezicht.
‘Jaap! Jaap de Vries! Jij bent ‘t! Je bent terug!’
‘Ja’, roept hij en het klinkt als een lied. ‘Ja, ik ben terug!’


reacties

reactie toevoegen



U mag nog 255 karakters intypen
*verplichte velden, U ontvangt een e-mail om het bericht te plaatsen. Uw e-mailadres wordt alleen hiervoor gebruikt. U kunt maximaal 255 karakters gebruiken voor uw bericht.

over de maker van dit verhaal