Ook de nieuwsbrief van Westfriese Omringdijk ontvangen? Schrijf je in!

Tijdsbalk

De Westfriese Omringdijk omringt het gebied West-Friesland en is 126 kilometer lang. West-Friesland is in archeologische termen nog jong. Noord-Holland boven het Noordzeekanaal ligt van oudsher 'in het water'.

4000 voor Chr: Kwelderlandschap

Ongeveer 4000 jaar voor de start van onze jaartelling was het grootste gedeelte water, de zee had van alle kanten vrij spel. Toch woonden er toen al mensen in dit gebied, waar vaste grond nauwelijks aanwezig was. De wisselende stijgingen van het zeeniveau hadden een telkens veranderend kwelderlandschap tot gevolg, vergelijkbaar met sommige delen van het Waddengebied. Dat veranderende zeeniveau zorgde voor een voortdurende strijd tegen het water. De bewoning vond met name plaats op de wat hoger gelegen zandruggen, waaraan onder andere Zandwerven zijn naam ontleent.

1000 voor Chr: Van zee tot boom

De generaties lang durende aanslag door het water liet de zandruggen verdwijnen. Overstromingen zorgden voor een bedekkende kleilaag. Er vond echter nog geen beteugeling van het water plaats. De zee bleef diep in het gebied doordringen. Zo ontstonden nieuwe kreken, die merkwaardig genoeg veelal het profiel volgden van de eerder weggespoelde zandruggen uit het kwelderlandschap. Binnenstromend zand begon zich af te zetten, terwijl het omringende land door zetting begon in te klinken en te zakken. Met als gevolg, dat er weer redelijk droge zandruggen ontstonden waarop bewoning mogelijk was. Op deze ruggen ontstond wat boomgroei en kwamen nederzettingen tot ontwikkeling. Uit verschillende vondsten en archeologisch bodemonderzoek is gebleken, dat van 700 vóór tot 400 na Christus van een redelijke bewoning van dit gebied sprake was.

400 na Chr:

Het water nam na 400 na Chr. weer bezit van de streek en bewoning was nauwelijks nog mogelijk. Het duurde vier eeuwen, voordat de veenafzetting een voldoende dikte had bereikt, dat men hier weer ging wonen en werken. Visvangst, maar ook enige agrarische activiteiten, vormden de belangrijkste bronnen voor het eigen levensonderhoud. Een paar eeuwen later begon men met de aanleg van de Westfriese Omringdijk.

1000 na Chr: start bouw van de dijk

Aanleg van dijken ter bescherming van woongebied wordt defensieve bedijking genoemd. Dit is wat er in West-Friesland gebeurde. Vanaf het jaar 1000 was door de stijgende zeespiegel bedijking nodig. Vooral ter bescherming tegen stormvloeden en springtij. De dijk werd gebouwd met behulp van duizenden palen, enorme hoeveelheden zeewier en met veelal vlakbij afgegraven grond. Deze waterkering geldt heden ten dage nog steeds als opmerkelijk toonbeeld in de strijd tegen het water. Het water sloeg nog steeds af en toe een bres in de dijk, zoals de wielen (uitgesleten door het binnenstromende water na een dijkdoorbraak) en bochten in het verloop van de dijk laten zien.
In de twaalfde eeuw, na totstandkoming van de Omringdijk, was West-Friesland eigenlijk een bedijkt eiland. In het westelijk deel (bij Schagen) bevonden zich terpen om op te wonen; in het oostelijk deel woonde men voornamelijk op de zandruggen.
De nederzettingen zijn in de loop van de tijd uitgegroeid tot dorpen en steden. Hoorn, Enkhuizen en Medemblik hebben van oudsher een bepalende rol gespeeld, met name in de Gouden Eeuw.

1320 na Chr: De dijk wordt gesloten

De Westfriese Omringdijk is in 1320 een gesloten geheel geworden. Deze aanname is algemeen geaccepteerd, aangezien de exact datum niet te achterhalen is.
Eerst maakte de Westfriese Omringdijk van West-Friesland een eiland. Aan de noordzijde liep de Zijpe, aan de oostzijde lag de Zuiderzee, ten zuiden van de dijk liggen de meren de Beemster en Schermer, en aan de westkant liepen de Rekere en de Zijpe. Al deze waterlopen en meren maakten van West-Friesland een geïsoleerd gebied ten opzichte van de rest van Nederland.